Ode aan mijn oma
Vandaag zit ik voor mijn campingbus op de leuke Camping Zum Jone Bur, vlak bij Monschau. Ik heb mezelf huisarrest (of camperarrest) gegeven, wat ik echt heel moeilijk vind.
Ik doe zó graag, maar mijn lichaam doet blijkbaar graag af en toe niets. Zelfs een paar dekentjesdagen waren deze keer niet voldoende, dus vandaag hou ik me aan mijn arrest.
En terwijl ik zo wat zit te mijmeren op mijn campingstoel, denk ik aan mijn oma. En aan wat ze een keer tegen me zei: āAls ik nu jong was geweest, dan had ik het net zo gedaan als jij. Geen man en geen kinderen.ā
Nu denk ik dat mijn oma, die dit jaar 105 zou zijn geworden, haar man, haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen niet had willen missen. Maar ik denk wel dat ik begrijp wat ze bedoelde. Ze is geboren in een tijd waarin ze veel minder keuze had om haar leven in te richten zoals ze dat wilde. En geen keuze voelt altijd anders, ook al maak je misschien dezelfde keuzes.
Mijn oma was slim. Ze kon naar het gymnasium. Maar studeren was te duur in een gezin met 11 kinderen, dus ging ze āin betrekkingā. Dat betekende dat ze bij iemand in huis werkte, als een soort au pair, maar dan niet in een ander land, maar in een andere stad.
Toch denk ik dat ze, binnen de grenzen van die tijd, een leven heeft gehad waarin ze zoveel mogelijk haar eigen weg heeft gevolgd. āEigenwijs is ook wijsā, was een van haar uitspraken.
Ze had een eigen supermarkt, later een snoepwinkel en mijn opa, die een kapperszaak had, stond met een schortje achter het aanrecht de aardappels te schillen.
Ze had twee kinderen, wat bijzonder was in een tijd waarin de meeste vrouwen zeker 10 kinderen hadden. Toen mijn zus vroeg hoe ze dat voor elkaar had gekregen, zei ze zonder blikken of blozen: āVoor het zingen de kerk uit.ā
(Toen ze 88 was, bleek trouwens dat ze tijdens de oorlog in Parijs ook een zoon had gekregen. Maar dat is een verhaal op zich waard.)
Misschien dat ze daarom in de jaren 70 een condoomautomaat voor haar winkel had hangen. Als ze daarover vertelde, zei ze: āDan hoorde ik ās avonds voetstappen en dan krr, krr, van de automaat.ā En dan zag ik een bepaalde glinstering in haar ogen. āDaar hebben we veel mensen mee geholpen. En veel geld mee verdiend.ā
Tot de burgemeester op bezoek kwam en haar sommeerde de automaat weg te halen. Daar werd ze jaren later nog altijd boos over.
Ze was ook boos op de pastoor: āWat heeft het geloof ons dom gehouden.ā En als ze een vergunning nodig had voor haar winkel, ging ze naar het gemeentehuis om dat even te regelen. En dan kreeg ze die vergunning.
Toen ik haar bedankte voor de weg die ze heeft geplaveid, stak ze haar kin omhoog en zei met een verbaasde trots: āGraag gedaan.ā
Ik zou willen dat ik nog een keertje met haar kon kletsen.



